Josca
Josca Love & Life 16 mrt 2018

11 herkenbare problemen als je bent opgegroeid in the middle of nowhere

1. Je moest áltijd met een taxi naar huis na een nachtje stappen.
Tenzij er mensen mee waren die toevallig dezelfde kant op fietsten of lieve ouders hadden die midden in de nacht als taxi wilden dienen, zat er niks anders op dan er zelf eentje te bellen. Fietsen langs dat enge meertje en die kille weilanden mét drank op was geen optie.

taxi

2. Als je nieuwe buren kreeg, wilde je er eerst niks van weten.
Aangezien iedereen elkaar kent in zo’n klein dorp, ook al woon je minstens tweehonderd meter uit elkaar, vond je het altijd maar raar om een nieuw gezicht te zien. Al hoopte je aan de andere kant dat er voor de verandering eens een knappe jongen bij jou in de buurt zou komen wonen.

3. De geur van mest is je niet onbekend.
Je bent er inmiddels misschien zelfs wel immuun voor geworden. Ach, het heeft wel iets.

4. Toen je voor het eerst vertelde waar je woonde, keek iedereen je raar aan.
Dat gat? Wonen daar ook nog anderen dan alleen maar koeien? Of je kreeg simpelweg de vragen ‘wat is dat en waar ligt dat?’ naar je hoofd.

koeien

5. Je vriendinnen kwamen nooit bij jou langs.
Niemand voelde er wat voor om direct uit school nog drie kwartier te moeten fietsen, dus wanneer je met je vriendinnen afsprak, was dat bijna altijd bij iemand anders. Jij kwam in het weekend wel aan de beurt, als de ouders van je vriendinnen zin en tijd hadden om ze naar je toe te rijden.

6. En als je vriendinnen dan toch kwamen, konden ze je huis niet vinden.
Ondertussen had je de auto van hun ouders al minstens tien keer voor je huis langs zien rijden en was jij als een malle aan het zwaaien. “Nee, dat tweede zijweggetje na de kerk!”

7. Toen je ging studeren was het raar om niet iedereen te kennen.
Je moest ook nog in een drukke stad gaan wonen en dat was al helemaal wennen. Al was het absoluut een vooruitgang dat de supermarkt nu wel naast de deur lag. Hier kan je aan wennen.

wiebenjij

8. Iedereen in de stad gaat er altijd meteen vanuit dat je ouders een boerderij hebben.
Ja, je huis was alleenstaand en er waren weilanden in de buurt, maar dat betekent niet meteen dat je op een boerderij woonde.

9. Als je moest uitleggen waar je woonde noemde je dichtbij gelegen plaatsen, die vervolgens ook niemand kende.
Ugh. Ten einde raad noemde je dan maar de hoofdstad van je provincie en vertelde je hoeveel tijd met de auto je daar vanaf woonde.

10. Je kon nergens heen zonder een lange tocht te maken.
De lange fietstochten die je moest afleggen naar de winkel of school herhaalde je liever niet vaker dan nodig. In de winter was het echter onmogelijk om de fiets te pakken en moest je je ouders lief aankijken of alsnog naar de dichtstbijzijnde bushalte fietsen – waar je flink op tijd moest zijn omdat er maar 1 keer per uur een bus langs kwam. Oh wee als die te vroeg was.

fietsen

11. Je kon niet wachten tot je je rijbewijs had.
En toen je het eenmaal had, werd er van je verwacht dat je ouders steeds met je mee mochten rijden. En jij wel eens boodschappen kon gaan doen. Of hun ophalen vanwege een borreltje teveel. Payback time.

Reageer op artikel:
11 herkenbare problemen als je bent opgegroeid in the middle of nowhere
Sluiten